Onnodige paniek in België

die gasten verspreiden naar hartenlust contextloze witte ruis en gaan dan mensen die wel iets beters te doen hebben vragen of zij misschien enig idee hebben wat dat zou kunnen betekenen. Absurder wordt het niet meer…

Contextloze witte ruis

Met die woorden karakteriseerde een collega-socioloog het recente onderzoek van Ipsos over de houding ten opzichte van religie in 23 landen. Hij had net een Belgische journalist die om een toelichting op dit onderzoek vroeg naar mij doorverwezen. In de media waren al diverse artikelen aan gewijd (hier, hier en hier). De journalist vond de analyse mager en wilde meer inzicht in de materie. De collega had wel iets beter te doen en vond dat ik dat dan maar moest verschaffen (ik heb inderdaad even niets beters te doen).

Religie doet meer kwaad dan goed

Waar het om draait is dat Ipsos hun internetpanel vroeg of men vond dat religie meer kwaad dan goed doet in deze wereld. Maar liefst 68% van de Belgen was het hier mee eens. De hoogste score van alle 23 landen (gemiddelde score was 49%). Hoe kan dat? Volgens Ipsos komt dit door de seksueel misbruikzaken in België en de rechtvaardiging van geweld en terreur in de naam van Islam. In de media wordt ook nog stil gestaan bij verregaande secularisatie en het verdwijnen van het geloof uit het leven van alledag.

Timing

Natuurlijk, die zaken hebben invloed op de houding van Belgen ten opzichte van religie. Maar, de timing kan ook meespelen. Wat nergens werd vermeld is dat het onderzoek een week na de mislukte aanslag in Brussel plaats vond. Na de verschrikkelijke aanslag op Zaventem airport een jaar eerder zal dat de houding van de Belgen nogal beïnvloeden. Maar, de vraag rijst of men dan religie in het algemeen kwalijk vindt, of deze specifieke uiting van religieus geweld, als we dit al religieus kunnen noemen. Bijna niemand keurt dit soort aanslagen goed, maar is men daarmee zo scherp gekant tegen religie?

Belgen scoren gemiddeld

Mijn onderzoek laat zien dat gemiddeld genomen, Belgen helemaal niet zo anti-religieus zijn. Ze scoren lager dan landen als Frankrijk en Nederland. Wel scoren ze gemiddeld genomen hoger in hun afwijzing van de Islam. Echter, ook die score is redelijk gemiddeld en veel lager dan landen als Duitsland en Oostenrijk. Maar, daarbij moet ik een aantekening maken. Net zoals de vage omschrijving van ‘religie doet meer kwaad dan goed’ niet laat zien welke religie men voor ogen heeft bij het beantwoorden van die vraag, zo moeten we ook afvragen wat men bedoelt wanneer men de Islam afwijst.

Religieuze oorlogen bestaan niet

Verschillende onderzoeken laten zien dat men niet zo zeer de Islam als religie afwijst, maar de aanwezigheid van Moslim immigranten niet ziet zitten (hier bijvoorbeeld). Daar zijn natuurlijk heel diverse oorzaken voor. Mij schijnt de anti-religieuze verklaring de minst logische. Sterker nog, ik denk dat hier politiek, cultuur en religie volledig door elkaar gehaald worden. Dat is bijvoorbeeld hetzelfde als zeggen dat het Noord-Ierse conflict een religieus conflict is. Religieuze legitimatie is iets anders als religieuze motivatie. Vaak krijgen conflicten een legitimatie vanuit een cultuur drager als religie, maar zelden is de motivatie gegeven vanuit religie (zie het werk van Paul Collier, die stelt dat elk groot conflict politiek-economisch gedreven is). Religieuze oorlogen bestaan dus niet.

En de Dalai Lama dan?

Uiteindelijk zeggen de cijfers van Ipsos niets, want er is niet te achterhalen wat men onder religie verstaat (of onder ‘meer kwaad dan goed’). Natuurlijk, een overwegend negatief houding ten opzichte van religie in het algemeen is iets om over na te denken. Maar het zou pas echt interessant zijn te weten hoe men aankijkt tegen verschillende religies. Maakt het uit wanneer de Katholieke paus een stemadvies geeft, of wanneer de Dalai Lama dit doet? Wanneer een immigrant Katholiek is of Moslim? Is men tegen traditionele religie en voor een individueel spirituele beleving of wijst men elke vorm van niet rationeel geloof af? Valt geloof in de wetenschap voor mensen ook in de religieuze categorie? Deze vragen relateren aan de samenhang tussen secularisatie, immigratie, politieke betrokkenheid, religieuze overtuigingen en culturele conflicten. Nogal wat actuele thema’s dus. Helaas laten veel survey-onderzoekers zich beperken tot dit soort algemene uitspraken over het kwaad en goed van religie (niet alleen Ipsos, ook het EVS en ISSP maken zich daar aan schuldig). Een gemiste kans en eeuwig zonde, dus.

De kerk van het vliegende Spaghettimonster: anti-religie of een publieke religie pur sang?

Wie is de Mol?

In Wie is de Mol 2017 liep kandidaat Diederik Jekel met verschillende grappige T-shirts rond. Op sommigen stonden wetenschappelijke formules (die verwezen naar iets rondom de mol), op anderen gekke afbeeldingen (zoals een spruitje, omdat de vorige mol zo genoemd werd). Maar, het T-shirt wat mij het meest opviel was er een met een afbeelding van het FSM, oftewel the Flying Spaghetti Monster.

Het vliegende Spaghettimonster is de God van een nieuw soort kerkgenootschap. Zo staan ze ten minste ingeschreven in het KvK.  Een andere naam voor deze godsdienst is het ‘Pastafarianisme’. In wezen is het begonnen als een kritiek op de plek van religie (vooral het creationisme) in het Amerikaans onderwijs. De vorm waarin die kritiek werd gegoten, was een soort van satirische tegenhanger van religie; een zelfbedachte godsdienst met een vliegend Spaghettimonster als God, ‘liever nietjes’ als geboden, een vergiet op het hoofd als kledingvoorschrift (respect voor het VSM), een piraat als profeet en naast vrede en het verdwijnen van armoede is ook supersnel internet een van de doelstellingen van deze kerk. Wat deze kerk verder vooral niet wil, is dat uit naam van religie mensen worden beknot in hun vrijheid.

Kerk of parodie?

Maar is het nu een kerk, of een satirische parodie? Gek genoeg is dat moeilijk te bepalen, want deze parodie werkt eigenlijk alleen als het serieus genomen wordt als echte religie. En, dat gebeurt al in diverse landen. Zo mag je in Oostenrijk met een vergiet op je hoofd op je paspoort worden afgebeeld en kan je in Nieuw Zeeland officieel trouwen volgens de pastafariaanse religie. Het is dus zeker een kerk. En tegelijkertijd een parodie.

Wat is de status van deze religie in Nederland? In ieder geval zijn er bekende Nederlanders die zich er mee identificeren, zoals dus Diederik Jekel. En hij is lang niet de enige. Ook Arjen Lubach heeft bijvoorbeeld laten weten zich verbonden te voelen met deze kerk, onder andere door een afbeelding van hemzelf met een vergiet op zijn hoofd op twitter te zetten. Lubach wilde zich trouwens eerder ook door de Tweede Kamer tot Farao der Nederlanden laten kronen, maar dat kon niet, omdat het ‘toekennen van feesttitels een privékwestie is’ en dus niet iets van de Tweede Kamer. En wanneer Lubach bedoelde dat hij Farao zou zijn in de historische traditie van Egypte, dan zou hij dus ook als godheid moeten worden vereerd ‘en dat is in strijd met onze diepgewortelde normen en waarden’.

Niet serieus te nemen

Er is nog een parallel tussen deze twee religieuze uitingen van Arjen Lubach. Beide religies die Lubach omarmt worden door de overheid niet serieus genomen. De rechtbank van Eindhoven verklaarde namelijk dat ook de kerk van het vliegend Spaghettimonster (kvhVSM) niet serieus genoeg is om op grond van een uitzondering in de wet voor religies te worden toegestaan met een vergiet op het hoofd op een paspoort foto te staan. Dit had te maken met de satirische vorm waarin de “heilige boeken” van het pastafarianisme zijn geschreven en de bijbehorende anachronismen (inconsistenties). Zo noemde de rechter het niet serieus te nemen dat een piraat in het jaar 1800 stenen in bezit zou hebben gehad met daarop de 10 ‘liever-nietjes’ (die hij overigens liet vallen, waardoor er nu nog maar 8 ‘liever-nietjes’ over zijn), waarop het goedkoper maken van breedbandkabel internet als doel geformuleerd zou zijn. Vervolgens oordeelde de rechter dat deze overtuiging ook niet serieus te nemen is, omdat de pastafariaan in kwestie op vragen over de rol van piraten in zijn geloof en de in de ‘liever nietjes’ voorkomende anachronismen niet zelfstandig weet te beantwoorden.

Religie is privé, of toch niet?

Eigenlijk zegt de rechter, dat het probleem met deze religie is dat het geen privékwestie is. Juist omdat deze aanhanger geen zelfstandig antwoord weet te formuleren, geeft hij volgens de rechter blijk dat er van een serieuze geloofsbeleving geen sprake is. Interessant genoeg is er van publieke beleving juist wel sprake. Zo twitterde Arjen Lubach meteen dat hij het ernstig vond dat de rechter oordeelde over de inhoud van een religie. Aan de andere kant, in een twitter-discussie met theoloog Stefan Paas geeft Lubach weer aan dat hij vooral atheïst is en dat het pastafarianisme evident absurd is. Het punt is dat dit volgens hem het godsgeloof ook evident absurd maakt (en daarmee dus een vorm van anti-religie is), terwijl dit volgens Stefan Paas absoluut niet zo is. Over God kunnen redelijke mensen redelijkerwijs verschillen en over het VSM niet, zegt deze theoloog.

Dit neemt niet weg dat er ‘pastafarianen’ zullen zijn voor wie dit geloof een subjectieve betekenis heeft. Dit zal niet veel anders zijn van een atheistische kerk als de ‘Sunday Assembly’ of een bijeenkomst van het humanistisch verbond. Toch vindt de rechter dat deze subjectieve beleving geen grond is voor het aanmerken van de kvhVSM als religie. De paradox is eigenlijk dat kvhVSM als publieke religie erkent wil worden, maar dat dit niet lukt omdat te weinig private, individuele beleving en betekenis heeft. Als anti-religieuze beweging heeft het volgens mij in ieder geval succes. In ieder geval retorisch, in het absurd maken van godsgeloof en in andere landen ook in het aankaarten van de privileges die sommige religies in het publieke domein hebben.

Toch is ook dit vergelijkbaar met wat typische religies doen. Volgens de socioloog Jose Casanova zullen religies die vanuit de overheid worden gemarginaliseerd kunnen gaan ‘deprivatiseren’, wat inhoudt dat ze met nadruk, soms met geweld aandacht opeisen in het publieke domein. Zou dat rondom het pastafarianisme ook aan het gebeuren zijn? Ze zouden daarmee laten zien ook wat dat betreft typisch religieus te zijn. Aan de andere kant, in Nederland houden we niet zo van atheïsten met zendingsdrang. Maar wie weet kan Arjen Lubach, nu hij geen Farao mag worden en het seizoen van zondag met Lubach is afgelopen, als zendeling van de kvhVSM aan de slag? Op zich geen verkeerde carrièremove, getuige de loopbaan van CU tweede Kamerlid Segers…

Measuring Atheism: Differentiating Non-religiosity and Anti-religiosity

First published at the Nonreligion & Secularity blog

In this post, Egbert Ribberink, Peter Achterberg and Dick Houtman explore the problematic nature of measuring and  differentiating atheism, non-religion and anti-religiosity and call for using existing large-scale surveys to understand said phenomena. From their recent research they detail the particular obstacles they overcame and elucidate how different questions on measuring non-belief produce much different answers.

In quantitative analysis, atheism is often used as a concept to describe those who state that they do not believe, when asked what they believe about God (for example Becker and de Wit) or those that indicate that they are not a member of a religious organization (for example Norris and Inglehart, page 186). It seems as if researchers treat atheism as the ‘residual category’ in their study of religion. However, the recent debate on atheism, religious ‘nones’ and non-religiosity suggests that this sociological habit of categorizing non-believers and non-affiliates as atheists, does not do justice to the intricacies of the atheist identity (see Lee, Smith, Ribberink and Houtman, and LeDrew). There exists a great difference between say, an attender of an atheist gathering like the Sunday Assembly and a supporter of the American Atheists movement. Therefore, quantitatively oriented scholars should be very careful in their operationalization of the tolerant and almost spiritual kind of atheism on the one hand (better described as non-religious or a-religious; see Day and Lee for a discussion on these concepts), and the militant and provocative atheism on the other (better depicted as anti-religious).[i]

In our recent studies on non-religiosity and anti-religiosity in Western Europe, we discovered that operationalizing these differences is not so easy. We encountered three particular obstacles. First, the commonly used surveys for the study of religion, culture, and politics (for instance, EVS, ISSP) use different questions for measuring similar religious beliefs and attitudes. Second, they have very few items that lend themselves to distinguishing anti-religiosity from non-religiosity in general and religious indifference in particular. Third, there are a limited number of options for operationalizing different kinds of anti-religiosity, for example anti-Muslim sentiment. Now, researchers like us have two options: we could decide to dismiss datasets designed to measure religiosity as useless for understanding non-religiosity; or we could gloss over the differences and imagine that non-religiosity really is quite a straightforward matter. With this blog, we describe the way in which we overcame these pitfalls. We do not provide an exhaustive list of what can be achieved with these datasets on religiosity, but in discussing the aforementioned obstacles, we point to a number of important nuances to the data that analysts should attend to when quantitatively studying non-religiosity.

Different questions, different answers

In general, scholars of religion distinguish three different ways of measuring religiosity: practice, beliefs and affiliation. The same is true for non-religiosity. Looking at the most common measure of non-religiosity, namely non-belief, we find different outcomes, depending on which question is used. In the EVS, the most commonly used question is: ‘Do you believe in God?’ with the answer categories ‘yes’, ‘no’ and ‘don’t know’. Furthermore, the EVS contains an item that asks what statement comes closest to describing the respondents’ beliefs. The answers are ‘I don’t really think there is any sort of spirit, God or life force’, ‘I don’t really know what to think’, ‘there is some sort of spirit or life force’, and ‘there is a personal God’. These measures reveal huge differences in the percentage of non-believers in several European countries.

  EVS 2 options EVS 4 options   ISSP 6 options
Czech Republic 54% 32% 37%
Germany 49% 35% 24%
Norway 45% 18% 18%
Table 1. Percentage of non-believers per country for different measures (Source: EVS 2008 and ISSP 2008).

For the Czech Republic, for example, comparing the first yes/no measure with the second four-option measure reveals 22% fewer non-believers (32% of total population instead of 54%) and comparing the same two measures for Norway reveals an even larger difference at 27% (see table 1). Including the ISSP, the picture varies even more. This survey also gives several answer options (six possible answers, ranging from ‘I don’t believe in God’ to ‘I know God really exists and I have no doubts about it’). Out of the 22 countries that appear in both surveys, 6 have larger differences than 5%, with Germany as an outlier with 11% fewer non-believers according to the ISSP-measure. For Norway results are similar, while for the Czech Republic the ISSP-measure reveals 5% more non-believers. Scholars of religiosity, spirituality, non-religiosity and secularity should be aware how each of these measures reveals a different number of non-believers living in each country.

Non-believers, religious ‘nones’ or non-attenders?

Looking at other measures of non-religiosity, namely religious affiliation and attendance rates, the differences between countries are even more striking, in particular for the Scandinavian countries (see Table 2).

no belief no affiliation no attendance
Denmark 18% 14% 91%
Finland 11% 18% 92%
Norway 18% 16% 93%
Sweden 19% 29% 94%
Germany 24% 34% 84%
Netherlands 20% 41% 80%
Great Britain 14% 33% 72%
Table 2. Percentage of non-believers (6 categories), non-affiliates, and non-attenders (less than monthly) per country (Source: ISSP 2008).

Compared to other former Protestant countries, the Scandinavian countries boast low levels of non-affiliates and high levels of non-attendance. Students of non-religiosity (and media reportages quoting them) should be well aware of these differences and their underlying historical, cultural and political reasons (see Sherkat). In our studies we mostly use the attendance measure for determining country-level religiosity and non-religiosity, because this gives the best idea of people’s active, day-to-day religious practice. However, the reason for choosing one or the other measure should depend on the theoretical question at hand.

Non-religiosity and anti-religiosity in ISSP and EVS

Thus far we have discussed different ways of measuring non-religiosity. Choosing a proper measurement of anti-religiosity is even more difficult, because of the limited availability of answer categories in the different surveys. Anti-religiosity is an attitude of opposition towards religions and the religious. Several possible ways of measuring this attitude are found in the ISSP. For example, two items inquire into attitudes towards the influence of religious leaders on governmental decisions and peoples’ votes; and two items inquire into responses to statements about the intolerance of religious people and whether or not religion creates conflict. We used a combined scale of answers on these items in our 2013 article on anti-religiosity in Western Europe. One of the interesting findings of this article was that people with higher education were significantly more anti-religious when living in a religious country (and vice versa), whereas on average the level of anti-religiosity was lower in these countries (see figure 1, and article for further details).

figure 1

Figure 1. Predicted anti-religiosity for lower educated and higher educated in contexts of low and high national church participation in 14 Western European countries, source: ISSP 2008.

Bruce (see page 221) uses the same four questions, studying sympathy for religions in Britain in 1998 and 2008, but adds two more on tolerance of religious power and confidence in religious organizations. Alternatively, one could also include items that inquire into the possible dichotomy between science and faith, but we follow Greeley in his concern that these questions are biased and do not measure a general attitude of anti-religiosity but a very specific pro-science attitude.

The EVS has richer data on people’s attitudes towards cultural, political, economic and national issues, but has fewer options for operationalizing anti-religiosity. It contains two items that can be seen to measure respondents’ hostility towards religion, albeit indirectly. One item asks whether respondents consider themselves religious. The possible answers differentiate between religious, non-religious and ‘convinced atheist’. Although the term ‘atheist’ can mean many different things, it is clear in this case that respondents are led to view it as something distinct from non-religiosity. It can therefore be argued that respondents read the term ‘convinced atheist’ to mean ‘anti-religious’. The item that asks for people’s confidence in the church as an institution can also be seen as an expression of religious tolerance (or the opposite: intolerance). Its answer category is a 4-point scale, ranging from ‘a great deal’ to ‘none at all’. Taken together, an index for anti-religiosity can be created (see our article). Nevertheless, statistically, this two-item index is less robust than the 4 (or 6) item-index that can be made using the ISSP-data.

Anti-religiosity and anti-Muslim sentiment

The availability of cross-national survey-data is very important for quantitative research. As we have shown, the different options for operationalizing anti-religiosity as distinct from non-religiosity are quite limited. This is even more problematic, considering the perspectives on anti-religiosity that now remain underexposed. For example, current opposition by Pegida to Muslims in Germany seems to be a typical anti-religious expression, although it can also be seen as an expression of an anti-immigrant prejudice. These two attitudes are hard to differentiate, using ISSP or EVS datasets.  In the ISSP there is no question that deals with attitudes towards Muslims, while in the EVS, there is only one item that deals with it very indirectly. It is a so-called “social distance” question about which groups of people (among others homosexuals, drug addicts, large families and Muslims) respondents find undesirable as neighbors. In the literature, this crude, dichotomous measure is used (see Strabac and Listhaug), sometimes combined with anti-immigrant attitudes to create a more robust measure. For most Western European countries, this latter construction is legitimate, since almost all larger non-European immigrant minorities are Muslim (with the exception of Indian people in Great Britain). When people are asked to think of immigrants, they tend to think about Muslims, and several studies have shown that anti-Islamic sentiments are closely related to types of prejudice related to immigrants (see Spruyt and Elchardus), like ethnocentrism, cultural and economic xenophobia, and authoritarianism. However, opposition towards Muslims, mosques, wearing of veils or other Muslims practices can also argued to be something purely anti-religious and not related to anti-immigrant sentiments. Thus, to differentiate these attitudes from each other, more specific survey data is needed.

Finally, one of the most intriguing questions in relation to measuring anti-religiosity is to what degree the secularization (Bruce) of the West leads to religious indifference (Bagg) or to polarization and conflict over questions of public religiosity (Casanova). Thus far, this question has not been settled, perhaps also because indifference or apathy is hard to measure. We can only hope that apart from qualitative research (Lee) and experimental surveys (Scheitle and Ecklund), the larger surveys are also improved to the point that we can answer questions like these conclusively. In the meantime, we hope that the possibilities and nuances provided above, will help analysts of non-religiosity to make the most of present survey data.

[i] Note that we use the term ‘nonreligion’ in its conventional sense to indicate the general absence or irrelevance of religion, in contrast to the sense used by Lois Lee, Johannes Quack and others, which describes a meaningful relationship of difference with religion. Anti-religion is therefore distinguished from (rather than an example of) nonreligion in our work.

Zij met ons

God verdwijnt uit de samenleving

Het hangt al sinds 2009 boven het stadhuis van Venlo, maar recentelijk ook in IMG-20151217-WA0002kantoren als dat van KPMG en Twynstra en Gudde (afbeeldingen). Het zet met aan het denken. Wat houd je over als God uit de samenleving verdwijnt? In dit geval toch wel een mooie spreuk.

Tegen het wij-zij denken

De van oorsprong als protest-kunst bedoelde spreuk die als aanklacht tegen het wij-zij denken diende, hangt nu in diverse kantoren om mensen op te roepen tot ‘creatief activisme’ van ZZP-ers en sociaal ondernemers tegen ‘de staat en de markt’. Er is wantrouwen naar deze instituties, net als eerder tegen de kerk en de grote verhalen van bijvoorbeeld het communisme in de jaren ’60, ’70 en ’80. Die gingen ten onder. Hoe zal dat aflopen met de sIMG-20151217-WA0001taat? Bestaat die over 20-30 jaar nog wel?

De zoektocht

“Wat zij delen is de zoektocht naar nieuwe waarden: menselijke waarden als vertrouwen, tijd, kwaliteit, vrijheid, ruimte”. Er zijn natuurlijk geen onmenselijke waarden, maar toch, het is een mooie zin. Het enige wat ontbreekt is een doel. Waar heb je die tijd, dat vertouwen en die vrijheid voor nodig? Of zijn de middelen het doel geworden. Is dat dan de zin van het mens-zijn? Weber zei dat de praktijk van het ‘zingeven’ aan het bestaan de lens is waarmee we religie moeten bestuderen (“Sociology of religion”, 1905). In dat geval zou deze zoektocht naar een nieuw  ideaal zeker als religieus te bestempelen zijn. “Maar dit gaat toch over onze economie” zeg je? Juist. Maar Weber zei al: religie en magie zijn uiteindelijk en eigenlijk ook vooral economische handelingen en daarom zie je juist in de manier waarop economieën werken de religieuze idealen naar voren komen. Dat gold voor de calvinisten die verwerden tot kapitalisten en dat geldt net zo goed voor de seculieren, die graag ‘creatieve activisten’ willen heten.

Ik vind het mooi. Als het lukt. Zij+Ons=Wij. Zou het kunnen? Zonder God?

Super stream me

9200000011703870Eindelijk kon ik in mijn zomervakantie het boek van Dave Eggers lezen: the Circle (2013). Dit boek gaat over een jonge vrouw, Mae, die mag gaan werken voor het prachtige bedrijf ‘the Circle’. Ze ontdekt en werkt er aan mee dat dit bedrijf wereldwijd de idealen dat ‘geheimen een leugen zijn’ en ‘privacy diefstal is’ uitdraagt. Dit gebeurt doordat de ontwikkeling van live-video streaming zo ingeburgerd raakt dat iedereen alles wat hem of haar overkomt 24/7 gaat streamen, plus dat overal en nergens camera’s worden opgehangen die door Jan en alleman kunnen worden gevolgd. Er zijn natuurlijk mensen, vooral politici in dit boek, die daar tegen protesteren. Het spannende en interessante van dit boek is echter, dat de sociale druk op die mensen om mee te doen heel effectief is: ‘wie niet mee wil doen, heeft iets te verbergen en is dus slecht’.

Een dystopie?

Reviewers noemen dit boek een dystopie, het tegenovergestelde van een utopie. Een negatief toekomstbeeld, iets wat je liever niet hebt dat er in de toekomst gebeurt. Maar, als ik zo om mij heen kijk, gebeurt het volgens mij al in onze samenleving. Hier bijvoorbeeld las ik dat ‘ProRail knoeit met de cijfers’. Dat is duidelijke taal, zou je denken, maar eigenlijk was de boodschap dat ze het zicht op de cijfers kwijt waren en dat, wanneer er gefraudeerd zou zijn, ze dit niet zouden weten. Aangezien er geen zicht op was, moesten ze wel iets te verbergen hebben en dat legitimeerde een beschuldigende headline. Dat is de logica van ‘the Circle’.

Geen Facebook maakt je verdacht

Dit zelfde geldt tegenwoordig wanneer je geen Facebook hebt. Zelf ben ik er na 7 jaar mee gestopt, omdat ik geen product van een Amerikaanse advertentieverkoper meer wilde zijn en geen filter op mijn relaties wilde hebben (ik bel tegenwoordig weer vaker met mijn vrienden of spreek af in een cafe). Volgens een recent artikel in de Duitste krant ‘Der Tagesspiegel’ hadden massamoordenaars Breivik en Holmes (bioscoop schutter) geen Facebook profiel. En mensen zonder profiel zijn vaak depressief. Dus. Als je wilt solliciteren kan je dus beter maar beter een profiel aanmaken, want anders kan je het wel schudden. Want, mensen die geen online-presence hebben, hebben iets te verbergen en zijn dus slecht.

Super stream me

Als je er op gaat letten kom je het overal tegen. Zo kopte de Volkskrant laatst: ‘Privacy-experiment VPRO vroegtijdig beëindigd wegens gebrek aan privacy’. De TV-makers van de VPRO hadden geprobeerd om, geïnspireerd door de Circle, drie weken met camera’s behangen te leven. Mensen konden dan via de website ‘Super stream me’ volgen wat ze zoal deden, incl. sex, wc-bezoeken en andere dagelijkse gebeurtenissen. De jongens trokken het echter na twee weken niet meer, ze waren uitgeput. Je gaat je immers, hoe transparant je ook wilt zijn, anders gedragen als er constant iemand over je schouder mee kijkt. Volgens ‘the Circle’ zal het alle vormen van criminaliteit uitroeien. In de VPRO-praktijk probeerden ze er echter op allerlei manieren onderuit te komen en leidden ze een dubbelleven. Dat is, volgens het ideaal van de circle al crimineel, want privacy is diefstal. Je houdt al je mooie ervaringen voor jezelf en deelt ze niet met je medemens (=iedereen). Hoe durf je? Het lijkt in de werkelijkheid dan ook moeilijker dan gedacht. Trouwens, het commentaar van de kijkers is ook niet hoopvol: ‘het echte leven is te saai om naar te kijken’.

Wat religies al lang wisten

Laatst sprak ik hier met een student over. Hij wilde onderzoek doen naar de manier waarop sociale media en het constant in de gaten gehouden worden de normen en gedragingen van mensen beïnvloeden. Zijn inspiratie was een gesprek met een moslim medestudent die nooit gefilmd of gefotografeerd wilde worden, uit angst dat hij iets zou doen wat tegen de regels van zijn godsdienst in gaat. Wanneer zoiets op internet zou komen, zou dat enorm oneervol zijn en aangezien zijn ‘eer’ de hoogste waarde is, zou dat verschrikkelijk zijn. Ik dacht dat God toch altijd al over je schouder meekijkt. Wat maken die foto’s dan nog uit? Maar ja, als je Hem als een rechter voorstelt en dat is een realiteit voor je, is Hij de enige viewer van een 24/7 livestream van je gedrag. Lijkt me inderdaad ook best wel heftig. En Hij ziet niet alleen je gedrag, maar ook je gedachten! Iets waar Mae in ‘the Circle’ aan het einde van het boek naar verwijst als het enige gebied wat de Circle nog niet heeft kunnen ‘bevrijden’. Religies weten dus al lang wat een 24/7 livestream met je doet. Sociologen van religie trouwens ook, want al in 1985 schreef de overigens niet-gelovige socioloog Bryan Wilson, dat wanneer religie verdwijnt, alleen CCTV-cameras (‘oppressive social control’) een sociale en morele orde in stand kan houden, aangezien God het niet dan meer kan doen.

Ik zou er trouwens zelf ook goed moe van worden om constant te denken dat iemand kritisch en veroordelend meekijkt met wat ik doe of laat. Aan de andere kant, lijkt het me wel fijn om af en toe een hemelse ‘like’ te krijgen. Dat dan weer wel. En daar maak ik dan ook geen geheim van, want wie geheimen heeft, is slecht.

 

Oh my God

is-america-getting-more-secular-460x307Er is een discussie ontstaan tussen de onderzoekers van religie en moderne cultuur (sociologen, theologen en filosofen doen allemaal lekker mee), over de vraag of de Westerse cultuur nu het beste als seculier of post-seculier kan worden omschreven. In principe waren ze het er allemaal over eens dat het Westen seculariseerde en dat religie aan het verdwijnen was, maar toen kwamen er allemaal ‘spirituelen’ en evangelischen die buiten de institutionele religies om toch lekker religieus aan het doen waren en bleken er veel immigranten in het Westen te wonen die niet wilden seculariseren en soms zelfs religieuzer waren, dan in hun land van herkomst gebruikelijk was. En, ook de recente aandacht voor de Islam in het Westen en alle publieke debatten daaromheen zorgen voor een groeiend idee, dat het Westen misschien wel helemaal niet zo seculier is als men lange tijd dacht. Vandaar die term: post-seculier. Religie is terug van weggeweest. Misschien in een nieuw jasje, maar toch.

Daar wringt de schoen
Zo’n discussie is natuurlijk leuk, maar het is natuurlijk voor een echte socioloog pas leuk als de feiten er mee kloppen. En daar wringt de schoen. Want als je kijkt naar wat de voorstanders van de ‘post-seculier’-these doen, is dat ze de definitie van wat religieus is ontzettend verruimen. Je zou kunnen zeggen dat ze elke uitdrukking die naar God verwijst als religieus interpreteren. Dus, als iemand in de media of een debat als uiting van verbazing ‘Oh my God’ zou zeggen, interpreteren ze dit als gebed. De standaard sociologen vraag ‘Hoe vaak bid u?’ kan dan worden vervangen door de vraag ‘hoe vaak gebruikt u de uitdrukking ‘Oh my God (of de afkorting OMG)?’ en dan is meten weten. En wat blijkt? Men bidt tegenwoordig vaker dan vroeger! Op dezelfde manier kan je de gegevens over kerkgang vervangen door de bezoekers aantallen van de film ‘de Da Vinci Code‘ en de gegevens over kerklidmaatschap vervangen door het aantal leden van de Harry-Potter fanclub.

‘O, mijn God’
Deze manier van doen schept alleen maar verwarring. Natuurlijk is het niet zinnig vast te houden aan de oude manier van meten, alsof die heilig zouden zijn. Dat zou wat zijn zeg! Wat nodig is, is een kritische reflectie over de betekenis van die nieuwe vormen van religieus discours (taalgebruik), zowel in de media, als in de sociale wetenschappen. Om daar een voorbeeld van te geven, wanneer er een religieus gebruik, traditie of praktijk in het niet-religieuze domein werd geïntroduceerd en gepraktiseerd, noemden sociologen dat vanouds ‘secularisering’. Dit betekent dat het van zijn puur religieuze betekenis en de link met de religieuze instituties werd ontdaan en een eigen leven kon gaan leiden. Dat lijkt me een prima manier om het verloop te omschrijven van het gebed om Gods vergeving, nabijheid en steun in een bepaalde situatie (O, mijn God) tot een uiting van verbazing (OMG). Daarbij speelt ook mee dat de betekenis van het eerste gebed vanuit het religieuze domein voorgeschreven werd, nl. wie of wat God is, wanneer Hij wel of niet zou kunnen helpen en wanneer het wel of niet gepast was om Hem in je levenssituatie te betrekken. Aan de andere kant is er ook sprake van omgangsregels en sociale do’s and dont’s bij het gebruik van de afkorting OMG, maar om de groepscultuur en gebruiken in de populaire media als ‘religieus geïnspireerd’ te omschrijven gaat wel erg ver. Seculier zou een passender omschrijving zijn.

Waarom conducteurs geslagen worden

4412dc1c4face665697a77ecfe669a3d-1428141852De laatste tijd is het een terugkerend nieuwsitem, het geweld tegen NS-conducteurs. Als socioloog (al dan niet des Vaderlands) probeer je zo iets te duiden. Waarom gebeurt dat nu zo veel, steeds vaker of af en toe (afhankelijk van je perspectief)?
Van alle mogelijke verklaringen (bijvoorbeeld toeval, het rode petje wat geweld uitlokt of narcistische krenking), lijkt het mij het meest waarschijnlijk dat deze geweldsuitbarstingen uitingen zijn van steeds breder gedragen anti-autoriteitsgevoel. Autoriteit is in onze individuele samenleving net zo onwenselijk als de vogelgriep. Het is zó iets van de (vroege) 20e eeuw. En na het fascisme, communisme, de kerk en de staat, hebben we nu ook ons vertrouwen verloren in de NS en andere publieke dienstverleners (al dan niet geprivatiseerd). Conducteurs, hun naam zegt het al, conduct-eurs, wijzen ons op ons gedrag. En als rechtgeschapen individualisten willen we daar niets van weten. Dat botst met onze individuele keuzevrijheid, onze hoogste waarde.

Tokkies en aso’s
Het is daarom ook niet verwonderlijk dat het niet zo zeer de tokkies en de aso’s zijn die gewelddadig tegenover conducteurs zijn, maar juist ook de yuppen en theekransjes die net van een avondje theater thuis komen (volgens een conducteur die iets mocht zeggen op de radio). Die theatergangers (of gangsters, zo u wilt) zijn bij uitstek de dragers van het anti-autoritarianisme. Meestal zijn zij het niet die geweld plegen, maar wanneer ze het doen, is het logischerwijs ten opzichte van de minst bedreigende, meest aanwezige en ook meest bespotte autoriteitsdrager, de conducteur.

“Iemand die aan onze autoriteiten komt, zal het weten.” 
Vandaar ook de oproep om conducteurs meer te bewapenen of te beschermen, bijvoorbeeld door de poortjes op de stations dicht te doen. Dat is vooral de aanpak die uit de rechterflank van de politiek komt, met als bekendste vertegenwoordiger, Ivo Opstelten. Hij zei: “Iemand die aan onze autoriteiten komt, zal het weten.” Maar iemand die deze autoriteiten vertegenwoordigt straalde zelf geen autoriteit uit en moest uiteindelijk vanwege een zoekgeraakt bonnetje vertrekken. Hij maakte er, zo gezegd, een soepzooitje van. En dat komt zijn autoriteit, maar ook de autoriteit die hij vertegenwoordigde natuurlijk niet ten goede. Waar zal dit op uitlopen?
Toen individualisme een steeds breder bestudeerd fenomeen werd, aan het begin van de 21e eeuw, verwachtte de ene socioloog een ‘society under siege’, terwijl de andere het individualisme bejubelen als een ‘ideal intimacy situation’ en een ‘ freedom culture’. Vooralsnog zeg ik dat het ergens in het midden ligt. Maar, ik ben vooral blij dat ik als socioloog van alles kan roepen, zonder een mes op mijn keel te krijgen. Al doet een uitspraak dat alle wetenschap ook maar een mening is, mij soms zeer bedreigend aan. Mag ik mij nu ook bewapenen?