Waarom conducteurs geslagen worden

4412dc1c4face665697a77ecfe669a3d-1428141852De laatste tijd is het een terugkerend nieuwsitem, het geweld tegen NS-conducteurs. Als socioloog (al dan niet des Vaderlands) probeer je zo iets te duiden. Waarom gebeurt dat nu zo veel, steeds vaker of af en toe (afhankelijk van je perspectief)?
Van alle mogelijke verklaringen (bijvoorbeeld toeval, het rode petje wat geweld uitlokt of narcistische krenking), lijkt het mij het meest waarschijnlijk dat deze geweldsuitbarstingen uitingen zijn van steeds breder gedragen anti-autoriteitsgevoel. Autoriteit is in onze individuele samenleving net zo onwenselijk als de vogelgriep. Het is zó iets van de (vroege) 20e eeuw. En na het fascisme, communisme, de kerk en de staat, hebben we nu ook ons vertrouwen verloren in de NS en andere publieke dienstverleners (al dan niet geprivatiseerd). Conducteurs, hun naam zegt het al, conduct-eurs, wijzen ons op ons gedrag. En als rechtgeschapen individualisten willen we daar niets van weten. Dat botst met onze individuele keuzevrijheid, onze hoogste waarde.

Tokkies en aso’s
Het is daarom ook niet verwonderlijk dat het niet zo zeer de tokkies en de aso’s zijn die gewelddadig tegenover conducteurs zijn, maar juist ook de yuppen en theekransjes die net van een avondje theater thuis komen (volgens een conducteur die iets mocht zeggen op de radio). Die theatergangers (of gangsters, zo u wilt) zijn bij uitstek de dragers van het anti-autoritarianisme. Meestal zijn zij het niet die geweld plegen, maar wanneer ze het doen, is het logischerwijs ten opzichte van de minst bedreigende, meest aanwezige en ook meest bespotte autoriteitsdrager, de conducteur.

“Iemand die aan onze autoriteiten komt, zal het weten.” 
Vandaar ook de oproep om conducteurs meer te bewapenen of te beschermen, bijvoorbeeld door de poortjes op de stations dicht te doen. Dat is vooral de aanpak die uit de rechterflank van de politiek komt, met als bekendste vertegenwoordiger, Ivo Opstelten. Hij zei: “Iemand die aan onze autoriteiten komt, zal het weten.” Maar iemand die deze autoriteiten vertegenwoordigt straalde zelf geen autoriteit uit en moest uiteindelijk vanwege een zoekgeraakt bonnetje vertrekken. Hij maakte er, zo gezegd, een soepzooitje van. En dat komt zijn autoriteit, maar ook de autoriteit die hij vertegenwoordigde natuurlijk niet ten goede. Waar zal dit op uitlopen?
Toen individualisme een steeds breder bestudeerd fenomeen werd, aan het begin van de 21e eeuw, verwachtte de ene socioloog een ‘society under siege’, terwijl de andere het individualisme bejubelen als een ‘ideal intimacy situation’ en een ‘ freedom culture’. Vooralsnog zeg ik dat het ergens in het midden ligt. Maar, ik ben vooral blij dat ik als socioloog van alles kan roepen, zonder een mes op mijn keel te krijgen. Al doet een uitspraak dat alle wetenschap ook maar een mening is, mij soms zeer bedreigend aan. Mag ik mij nu ook bewapenen?